04 mrt 2020

Staat van de havo

Tijdens de 8e editie van het havocongres ‘Trots op havo’ was er veel animo voor de inspiratiesessie met Paul Rosenmöller – voorzitter VO-raad, Henk Hagoort – voorzitter van het bestuur van Hogeschool Windesheim en Rob Vink – seniorinspecteur VO van Inspectie van het Onderwijs en Henk van Ommen – voorzitter havoplatform over ‘De staat van de havo’.

Marc Jansen, vicevoorzitter van het havoplatform, neemt de aanwezigen kort mee in de stand van zaken met betrekking tot de havo en de havisten. “In ‘de staat van het onderwijs 2019’ wordt geconcludeerd dat de prestaties van havoleerlingen in negatieve zin opvallen: motivatieprobleem, veel doubleren, dalend CE en te weinig succesvol in het hbo; in het hbo heeft 49% na 5 jaar een bachelor, 69% na 8 jaar: jongens zijn significant minder succesvol dan meisjes, kansenongelijkheid heeft duidelijke invloed. Deze feiten waren het uitgangspunt voor deze inspiratiesessie.” Vervolgens kregen de vier deelnemers ieder 1 minuut de tijd om met een oplossingsgericht idee te komen.

Henk Haagoort, voorzitter van het bestuur van Windesheim, vertelde dat het zijn droom is dat de bovenbouw van de havo en het Associate Degree programma gaan aansluiten. Als dit zou gebeuren dan volgen de havisten in de laatste twee jaar havo al vakken uit het AD-programma en daarna volgen ze een 2-jarige Associate degree-opleiding. In plaats van na vier jaar hbo en geen diploma, hebben ze een AD-diploma. Hogeschool Windesheim is dit in een pilot aan het uitproberen met twee scholen.

Paul Rosenmöller begint zijn minuut met het feit dat veel mensen in onze samenleving een havo achtergrond hebben; de docent, de fysiotherapeut, etc. En hij benadrukt: De havist bestaat niet. “Probeer in het buitenland maar eens uit te leggen wat de havo is. Onze havo is een vergaarbak van allerlei verschillende niveaus. Wat hebben we nodig? Meer flexibiliteit in het onderwijs en meer maatwerk. Daarvoor zou een zesjarige havo helpen.”

Henk Hagoort, voorzitter van het havoplatform, pleit voor een VHBO dat 6 jaar duurt. “De havisten zijn te jong om de keuze een vervolgopleiding te maken. Ze hebben meer ruimte en adem nodig. En in aanloop naar het hoger beroepsonderwijs hebben ze meer contact met het hbo nodig, vandaar dat het mij verstandig lijkt om dat zesde jaar samen met het hbo in te vullen. Ik denk dat daardoor de uitvallers enorm zullen afnemen.”

Rob Vink, seniorinspecteur VO, deed een oproep voor meer pedagogiek in het havo-onderwijs.

Vervolgens gingen de aanwezigen met elkaar in gesprek per tafel. Er werd een oproep gedaan om meer vaardigheden te ontwikkelen voor het vervolgonderwijs. Ook werd benadrukt dat pedagogiek en de relatie met de leerling belangrijk is, net als formatief handelen. Ook werd het standpunt van Henk van Ommen herhaald: “De havoleerling is te jong om door te stromen naar een studie.” De leerling heeft ruimte nodig om fouten te kunnen maken, de ruimte daarvoor zou flexibeler moeten zijn.

Na de gespreksronde aan tafel beantwoorden Paul Rosenmöller, Henk Hagoort, Rob Vink en Henk van Ommen vragen uit de zaal.

Henk Hagoort kreeg een vraag van een afdelingsleider bovenbouw havo. “Ik zoek samenwerking met Hogeschool InHolland. We passen 20-80 onderwijs toe en we willen graag een 6-jarige havo. Maar het hbo staat niet te trappelen. Hoe krijgen we dit voor elkaar?” Henk Hagoort: “In onze pilot komen we ook bij scholen met 20-80 onderwijs. Mogelijk dat dit te maken heeft met de geldstromen, daar moet je met het hbo iets over afspreken, dit is dus iets dat speelt aan de achterkant. Maar dit zou geen belemmering moeten zijn. Binnen mbo en hbo is er al veel meer samenwerking. Daar kunnen we veel van leren. Maar in onze regio zijn er veertig havo-scholen en twee mbo’s. Het intensiveren van de samenwerking tussen havo en hbo vraagt bestuurlijk wel veel.”

Waarom is de 6-jarige havo er nog niet? Paul Rosenmöller beantwoord deze vraag. “Omdat het hierbij gaat over het stelsel. Ze aarzelen in Den Haag om het er over te hebben. Er is al wel steeds meer samenwerking vanuit de scholen. Naarmate we er meer druk op kunnen zetten, dan kan het sneller gerealiseerd worden.”

Op welk probleem richt je je met de 6jarige havo? “Je richt je vooral op uitval in 4 havo.”

In hoeverre is gekeken wat leerlingen vinden? “Er is onderzoek gedaan. Het verschil lijkt te liggen in het pedagogisch klimaat. Je hebt daarvoor pedagogische vaardigheden bij docenten nodig. Misschien heeft de havoleerling dit iets meer nodig dan de vwo-leerling.”

Wat moet er in het 6de jaar gebeuren? Henk van Ommen beantwoord deze vraag. “Het zesde jaar moet een transitiejaar zijn, een overgangsjaar, waar ze competenties trainen en alvast kunnen wennen aan het hbo. Niet cognitief maar vooral op vaardigheden. De kosten hiervoor zijn hoog, maar het kan veel opleveren.”

Overige punten die zijn besproken:

Alle leerlingen in het funderend onderwijs moeten een startkwalificatie halen. Dat is een systeemaanpassing, maar daardoor kan je veel meer maatwerk en flexibiliteit realiseren in het voortgezet onderwijs. Onze leerlingen gaan te ongemotiveerd naar school, in vergelijking met buitenland.

Curriculum herziening. Dit is een operatie die ons de komende jaren gaat bezighouden. Als je iets wilt veranderen of aanpassen dan moet je durven sleutelen aan het examen. Laat het een doorstroomexamen worden.

Havisten moeten detoxen van de havo als ze starten op het hbo. De twee werelden communiceren niet goed met elkaar. Dat is een groot probleem!