Door:
Obe de Vries, Joost Schaacke en Erik Fleur (1)

Repost via: DUO

Inleiding
Deze notitie gaat over één van de overgangen in het onderwijsstelsel, namelijk die van havo naar hbo. Het is een vervolg op de analyse van Fleur uit 2013 (2) ten behoeve van het advies van de Onderwijsraad – 2014 (3) over overgangen in het onderwijs. De aanleiding voor de notitie is dat de berichten over de overgang van havo naar hbo niet gunstig zijn. De onderwijsinspectie meldt hoge percentages zittenblijvers op het havo en veel uitval en switch in het eerste jaar van het hbo van leerlingen die vanuit het havo naar het hbo gaan (4). Uit onze gegevens blijkt dat niet meer dan twee van de vijf leerlingen die in havo 4 instromen, onvertraagd het 2e opleidingsjaar van het hbo bereiken.

In deze notitie hopen we het beeld over de overgang van havo naar hbo zoveel als mogelijk is te verduidelijken en tevens een aanzet voor discussie te geven. Wat betreft die overgang kiezen we met opzet een wat ruimer perspectief dan normaal, namelijk vanaf havo 4, waar de voorbereiding op het eindexamen immers al begint, tot aan het tweede opleidingsjaar van een hbo-opleiding, als de keuze voor een opleiding wel min of meer vast ligt. Met de discussie is al een begin gemaakt in januari 2015, toen we circa twintig inhoudelijke reacties kregen op een eerste concept van deze notitie, ongeveer gelijkelijk verdeeld over vo-veld, ho-veld, onderwijsexperts en onderwijsinspectie. Ook hebben we op twee instellingen (één vo, één hbo) gesprekken gevoerd. Deze reacties hebben zowel verbeteringen van de tekst opgeleverd als aanscherping van de discussievragen, waarvoor onze grote dank!

Wat betreft de feitelijke informatie presenteren we eerst enkele gegevens over de overgang van havo naar hbo, gerelateerd aan het cohort havo 4 van 2007/2008. Vervolgens kijken we naar latere cohorten. Daaruit blijkt dat (voor zover data beschikbaar zijn) de gegevens van cohort 2007/2008 representatief zijn voor daaropvolgende jaren. Ook gaan we kort in op de diversiteit aan studieloopbanen, die leerlingen vanaf havo 4 volgen. Daarna geven we een analyse van enkele specifieke deelcohorten uit het havo 4 cohort 2007/2008. Hieruit blijkt dat leerlingen, die bij de overgang van havo naar hbo vertraging oplopen, het ook daarna minder goed doen dan de ‘onvertraagden’. Tot slot vatten we de gegevens nog eens kort samen en bespreken we enkele discussievragen. Ons inziens geven zij aan dat het de moeite waard is om vooral op regionaal niveau structurele maatregelen voor een gecombineerd traject met de bovenbouw van het havo en het 1e jaar hbo te onderzoeken.

Als achtergrondinformatie nog het volgende: het Nederlandse onderwijsstelsel kent ‘in vergelijking met veel andere onderwijsstelsels een vrij sterke geleding en differentiatie’ (5) en dus ook veel overgangen binnen het stelsel. In de adviesvraag aan de Onderwijsraad (juli 2013), waarin deze typering voorkomt, noemt de Minister o.a. de vraag of de overgangen in ons onderwijsstelsel zodanig zijn georganiseerd ‘dat leerlingen op de juiste plaats terecht komen en vertraging, uitval en onderbenutting zoveel mogelijk worden voorkomen’. Ook de vormgeving van doorlopende leerlijnen wordt als aandachtspunt genoemd. Op basis van enkele studies geeft de Onderwijsraad (maart 2014) een reactie met als voornaamste advies: ‘Zet het belang van leerlingen tijdens overgangen voorop én verbeter de keuzes die ze maken’. Vervolgens doet de Onderwijsraad diverse suggesties voor het soepeler maken van overgangen, o.a. voor maatwerk voor specifieke groepen leerlingen en verbetering van loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Minister en Staatssecretaris reageren daarop (juli 2014) met de constatering dat het advies en de aanbevelingen van de Onderwijsraad ‘de huidige koers van het ingezette beleid bevestigen’. Zij noemen daarbij enkele praktische initiatieven o.a. wat betreft de voorbereiding van een goede studiekeuze (6). Daarnaast hebben diverse onderzoekers in de loop der jaren hun licht laten schijnen op de overgang havo-hbo (bijv. Terlouw, 2012 (7) en Asselt, R. van, 2014 (8). Ook worden in 2015 nieuwe verkenningen ondernomen zoals een project effectieve leerroutes (Min. OCW) en een denktank doorlopende leerlijnen (Stichting van het Onderwijs).

Het belang van deze notitie ligt ons inziens vooral in het feit dat één cohort over een groot aantal jaren wordt gevolgd. Om misverstand te vermijden: wij zetten cijfers op een rij om de ‘soepelheid’ van de overgang in beeld te krijgen, niet om het rendement van instellingen te laten zien. In feite is juist het inter-instellingsperspectief onze focus. Dat neemt niet weg dat deze notitie niet meer dan een begin is. Veel aanvullende gegevens kunnen het beeld nog completeren. Met name het niet- bekostigd hbo komt niet aan bod, en ook het vavo (voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, bedoeld voor 18-plussers) wordt maar zijdelings besproken. Niettemin hopen we dat deze notitie stof voor verdere discussie zal opleveren, zodat een ingewikkeld probleem hanteerbaarder wordt.

1.Van havo 4 naar HBO 2 zonder vertraging
Het 5-jarige havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) is in de jaren ’60 van de vorige eeuw ingevoerd als onderdeel van de Mammoetwet. De 5-jarige hbs, die toelating gaf tot de universiteit, werd vervangen door het atheneum (vwo). De 5-jarige mms, alleen bedoeld voor meisjes, werd opgeheven. Van meet af is er wel enige discussie geweest over de wenselijkheid van het havo, niet in het minst in het parlement. Een voorbeeld van een discussie in de Eerste Kamer uit 1962/1963 staat in Box 1, waarbij de vraag werd gesteld of het havo wel zo’n goed idee was (10).

Box 1: Een vroege discussie over het havo in de Eerste Kamer (1962-1963)  “……. Een nieuw school-type, dat het ontwerp beoogt te introduceren, is, zo merkten sommige leden op, het hoger algemeen voortgezet onderwijs (h.a.v.o.) …. Als voortzetting van drie jaar voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (v.w.o.) of van vier jaar middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (m.a.v.o.) kan dit schooltype, naar deze leden meenden, in een behoefte voorzien. De wenselijkheid van het oprichten van zelfstandige h.a.v.o.-scholen achtten zij niet aangetoond. …. Het gaat er naar hun mening niet om, of er hier en daar in ons land een zgn. h.a.v.o.-school zal komen en of deze zich zal weten staande te houden; het gaat erom, of dit schooltype met ere zijn plaats in het Nederlandse scholenstelsel zal innemen. Deze leden achtten de voorwaarden daartoe niet aanwezig. In dit opzicht wil de Overheid huns inziens een te groot risico op zich nemen, nl. door het creëren van een schooltype, waarom de maatschappelijke ontwikkeling niet heeft gevraagd. ….” 

Vijftig jaar later is het havo, in overeenstemming met zijn wettelijke taak (11) (zie Box 2), een belangrijke toeleverancier geworden van het hoger beroepsonderwijs (hbo). In deze paragraaf komt aan de orde hoe groot de instroom in havo 4 is en waaruit hij bestaat. Daarna volgen we het cohort havo 4 2007/2008 gedurende zes jaar tot en met 2013/2014.

Box 2: De wettelijke taak van het havo  Hoger algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend hoger beroepsonderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het hoger algemeen voortgezet onderwijs wordt gegeven:  a. aan scholen met een cursusduur van vijf jaren;  b. aan afdelingen van scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. Deze hebben een cursusduur van twee jaren en vangen aan na vier jaren middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. 

1.1 De instroom in havo 4
In havo 4 bevindt zich ongeveer een kwart van de leerlingen uit een vergelijkbare leeftijdsgroep of vergelijkbaar onderwijsjaar, naast die in vmbo (ruwweg de helft ) en vwo (ook een kwart). In Tabel 1 is te zien dat in cohort 2007/2008 (dit zijn de leerlingen die in het schooljaar 2007/2008 in havo 4 zijn ingestroomd, dus zittenblijvers worden niet meegerekend) 49.395 leerlingen zitten. Tevens blijkt dat de instroom over de jaren heen redelijk constant is: jaarlijks beginnen ongeveer 50.000 leerlingen met het vierde leerjaar van het havo.

Tabel 1: aantal leerlingen per havo 4 cohort

Havo 4 cohort Aantal leerlingen
2007/200849.395
2008/2009 49.732
2009/2010 49.836
2010/2011 50.260
2011/2012 49.260
2012/2013 50.144
2013/2014 51.153

1.2. De herkomst van de instroom in havo 4
De ‘nieuwe’ instroom in havo 4 is afkomstig uit drie onderwijsgroepen: havo 3 (ruim drie kwart), vmbo 4 en vwo 3 en 4 (samen ongeveer een kwart). In Grafiek 1 wordt aangegeven hoe die instroom er in een aantal jaren uitziet. Van cohort 2007/2008 komt 73% uit havo 3, 18% uit vmbo 4 en 9% uit vwo 3 en 4. In de loop van de jaren neemt de instroom uit havo 3 iets toe, evenals die uit vwo 3 en 4, maar die uit vmbo 4 neemt behoorlijk af.

1.3 De doorstroom van het havo 4 cohort 2007/2008
Waar komen de havo 4 leerlingen van cohort 2007/2008 in de daaropvolgende jaren terecht? Voor een goed begrip daarvan is het onderscheid tussen een opleidingsjaar en een verblijfsjaar van belang. In Box 3 wordt daar nader op ingegaan.

Box 3: Het verschil tussen opleidingsjaar en verblijfsjaar  Als hierna de afkortingen HBO 1, HBO 2 etc. worden gebruikt dan slaan deze op een opleidingsjaar (hbo-opleidingen hebben in de regel vier opleidingsjaren; de havo-bovenbouw twee). Tot HBO 1 kunnen studenten behoren met zowel 1 verblijfsjaar op het hbo, als met 2 of meer verblijfsjaren. Met HBO 2 worden die studenten bedoeld die na hun eerste jaar (of jaren) in HBO 1 deelnemen aan een 2e opleidingsjaar (HBO 2).  Met HBO 2 worden dus niet de studenten bedoeld die een 2e verblijfsjaar op het hbo doorbrengen. In onderstaand schema wordt dat duidelijk gemaakt. 
Ter toelichting op het schema: studenten die in het 1e verblijfsjaar zitten vallen automatisch in de groep HBO 1 (dikke pijl). Als zij vervolgens in hun 2e verblijfsjaar op het hbo worden toegelaten tot het 2e opleidingsjaar van dezelfde opleiding (dunne pijl), vallen ze in de groep HBO 2. Voor die toelating tot het 2e opleidingsjaar hoeven zij in de regel niet alle 60 studiepunten van het 1e opleidingsjaar (= de propedeuse) te hebben gehaald, maar wel een minimum aantal punten. Dit varieert van 30 tot 60 verplicht te behalen studiepunten. Bijna driekwart van de hogescholen hanteert voor de opleidingen een norm tussen de 45 en 54 studiepunten (12). Halen studenten die punten niet, dan krijgen zij een zogeheten ‘bindend studieadvies’ en moeten zij het 1e opleidingsjaar over doen, wat meestal opnieuw beginnen in een andere opleiding betekent. Wanneer zij op deze manier in hun 2e verblijfsjaar een andere opleiding dan in hun 1e jaar zijn gaan doen, vallen ze weer onder HBO 1. 

In Tabel 2 worden de studieloopbanen van de nieuwe havo-4 instroom (2007/2008) in daarop volgende jaren weergegeven als percentage van de oorspronkelijke instroom in 4 havo. In 2008/2009 bevindt zich bijv. 15,0% opnieuw in havo 4 (zittenblijvers) en 77,5% in havo 5. In 2009/2010 zit nog maar 0,2% op havo 4 en nog 21,9 % in havo 5 (oorspronkelijk zittenblijvers havo 4 en gezakten havo 5). Het totaal van de kolommen is steeds 100%.

Tabel 2: Doorstroom vanuit havo 4 voor instroomcohort 2007/2008

Toelichting op de tabel:

  • HBO 3-4 staat voor alle hbo-studenten die na HBO 2 dezelfde opleiding volgen als in HBO 2 (= onafhankelijk van het aantal verblijfsjaren)
  • Wo is wetenschappelijk onderwijs, hier weergegeven in verblijfsjaren
  • ‘Overig bekostigd onderwijs’ is een restgroep van leerlingen in het bekostigd onderwijs die niet onder de andere categorieën valt
  • Onder ’Tussenjaar’ vallen de personen die een jaar niet in bekostigd onderwijs zitten, maar die wel op een gegeven moment (= t/m 2013/2014) ergens weer in het bekostigd onderwijs instromen.

Tabel 2 geeft steeds de plaats aan van leerlingen als procenten van het oorspronkelijke cohort havo 4. Bedenk hierbij 1,0% staat voor ongeveer 500 leerlingen. Gaan we de tabel kolom voor kolom na dan ontstaat het volgende beeld. De onvertraagde overgang havo-hbo wordt steeds vet aangegeven.

  • Na 1 jaar (= 2008/2009) bevindt 77,5% van het havo 4 cohort zich in havo 5. 15,0% doet havo 4 nog eens over. 5,4% is overgestapt naar het mbo. 0,5% neemt niet meer deel aan bekostigd onderwijs en 0,9% neemt een tussenjaar.
  • Na 2 jaar (= 2009/2010) bevindt 52,4% zich in HBO 1. 21,9% zit dan nog in havo 5 (= zij die na het zakken voor hun examen havo 5 overdoen, plus zij die na zittenblijven in havo 4 doorgaan naar havo 5). Inmiddels is 9,6% beland op het mbo. Een forse groep neemt na slagen op havo 5 een tussenjaar (6,4%), en meldt zich dus in de daaropvolgende jaren weer in het onderwijs (deels hbo, deels elders). Ook blijkt 3,6% van de leerlingen na overstap van het havo inmiddels te zitten in vwo 5 (3,2%) of vwo 6 (0,4%). 1,5% zoekt nu een voortzetting in vavo-havo. 2,9% komt niet meer in het bekostigd onderwijs terug.
  • Na 3 jaar (= 2010/11) zit 34,5% van het oorspronkelijke cohort havo 4 in HBO 2. In HBO 1 zit nu 31,2% van het cohort 2007/2008. Dit zijn deels de nieuwe hbo-instromers, die na een vertraagde havo in het hbo zijn aangekomen, deels zij die een 1e opleidingsjaar overdoen. De deelname aan het mbo bereikt nu een piek met 12,1%. Op het wo is 1,3% gearriveerd, deels na overstap vanuit HBO 1 en deels uit de vwo 6 stroom. Het aantal leerlingen dat een tussenjaar neemt blijft op 6,4%, een deel hiervan voor het eerst. Een ander deel neemt meer dan één tussenjaar. De vavo-havo-stroom bereikt nu zijn top met 1,6%. Inmiddels is 5,8% niet meer in het bekostigd onderwijs aanwezig.
  • Na 4 jaar (= 2011/12) zit 32,3% in HBO 3-4. In HBO 2 is 19,9% aanwezig. Dit zijn diegenen die hetzij op havo of HBO 1 een jaar zijn vertraagd of een tussenjaar namen. Het mbo-aandeel begint te dalen, wegens het afronden van de studie aldaar. Het wo beleeft een voorlopige piek met 3,1 % in het 1e verblijfsjaar, mede dankzij de uitstroom uit het vwo en studenten die overstappen vanuit HBO 1. Inmiddels zit 9,3% niet meer in het bekostigd onderwijs.
  • Na 5 jaar (= 2012/13) zit meer dan de helft van het cohort (51,3%) in HBO 3-4 en stijgt het totale percentage studenten in wo tot 5,0%. Het mbo-aandeel daalt verder.
  • Na 6 jaar begint ook het percentage HBO 3-4 af te nemen, na afstuderen van een deel van hen. Opmerkelijk is dat het percentage studenten in HBO 1 met 8,1% nog steeds aanzienlijk is. Het aandeel wo stijgt inmiddels naar 7,1%, mede door de instroom van hbo- afgestudeerden.

De hierboven genoemde resultaten laten zich ook weergeven in de vorm van een denkbeeldige toespraak tot een groep nieuwe havo 4 leerlingen in 2007/2008 (zie Box 4). De percentages worden hierin teruggebracht tot de omvang van een havo-klas van 25 nieuwe leerlingen.

Box 4: De overgang van havo naar hbo: wat staat je te wachten?  Als een havo 4 groepscoördinator aan het begin van het schooljaar 2007/2008 aan een groep van 25 nieuwe havo 4 leerlingen (de 4 zittenblijvers niet meegerekend) zou hebben gevraagd waar zij zich twee jaar later zouden bevinden, hadden waarschijnlijk maar weinigen van hen de volgende voorspelling geloofd: (slechts) 13 op het hbo, 5 of 6 nog op het havo, 2 of 3 op het mbo, 1 op het vwo en 3 op het vavo of in een tussenjaar of niet meer in het bekostigd onderwijs.  Als zij vervolgens had doorgevraagd naar de situatie een jaar later zou ook die voorspelling waarschijnlijk op enig ongeloof zijn gestoten: niet meer dan 9 leerlingen in het tweede opleidingsjaar van het hbo (HBO 2), 8 in het eerste opleidingsjaar (HBO 1), 3 op het mbo en 5 op diverse andere plaatsen.  De groepscoördinator zou ook nog een voorspelling hebben kunnen doen voor zes jaar later: 3 leerlingen die het hbo geheel zouden hebben doorlopen en op zoek zijn naar of al actief in werk, 13 of 14 nog op het hbo, 2 op het wo (bachelor of master fase), 3 die het mbo hebben doorlopen of daar nog op zitten en 3 of 4 anderen die het bekostigd onderwijs hebben verlaten, al dan niet met een havo diploma, maar zonder hbo of mbo diploma. Misschien ter geruststelling zou de groepscoördinator ook nog kunnen vermelden dat uiteindelijk zo’n 17 van de 25 het hbo-diploma zouden halen in het bekostigde onderwijs, maar een groot deel dus wel met tijdverlies. Al deze voorspellingen zouden dicht hebben gelegen bij de (gemiddelde) werkelijkheid van de doorstroom van een havo 4 cohort uit 2007/2008. 

1.4 Samenvatting
De voornaamste conclusie uit deze paragraaf is dat 34,5% van het cohort havo 4 uit 2007/2008 zonder vertraging in drie jaar van havo 4 in HBO 2 terechtkomt. Dat is geen hoog percentage. Zelfs als rekening wordt gehouden met a) de overstap vanuit HBO 1 naar het wo, b) degenen die na het havo een tussenjaar nemen en c) diegenen die onvertraagd van havo naar vwo overstappen, komt het totaal van de onvertraagde doorstroom na drie jaar niet boven twee op de vijf leerlingen.

2. Stabiliteit en diversiteit
Het zou kunnen dat de gegevens uit de vorige paragraaf deels berusten op toeval. Theoretisch is het mogelijk dat de lichting havo 4 2007/2008, om welke reden ook, een uitzonderlijke groep is. Om dat te checken wordt in deze paragraaf gekeken of de leerlingen van cohort 2007/2008 representatief zijn voor daaropvolgende cohorten. Ook wordt gekeken naar de diversiteit van studieloopbanen.

2.1 De representativiteit van de gegevens
In de vorige paragraaf was al te zien dat 52% van de leerlingen uit cohort 2007/2008 na twee jaar waren doorgestroomd naar het hbo en dat na drie jaar 34% van de leerlingen in HBO 2 zit. In Tabel 3 is te zien dat deze cijfers voor alle cohorten vrijwel hetzelfde zijn. Zo zit 49% van de havo 4 leerlingen uit cohort 2010/2011 twee jaar later in het hbo en 32% van de leerlingen na drie jaar in HBO 2. Het beeld is uitermate stabiel.

Tabel 3: Percentage van nieuwe instroom havo 4 (= 100%) in HBO 1 en HBO 2

Havo 4 cohort Na 2 jaar in HBO 1 zonder vertraging Na 3 jaar In HBO 2 zonder vertraging
2007/2008 52% 34%
2008/2009 51% 34%
2009/2010 50% 33%
2010/2011 49% 32%
2011/2012 53%

2.2 Stabiliteit van de totale (cumulatieve) instroom in HBO 2
In Tabel 4 is te zien dat er ook grote stabiliteit is in de gegevens voor de instroom in HBO 2 voor opeenvolgende cohorten (voor zover de gegevens beschikbaar zijn): na 3 jaar 32% – 34%, etc..

Tabel 4: Percentage van nieuwe instroom havo 4 (= 100%) in HBO 2 na 3 – 6 jaar

Havo 4 cohort Na 3 jaar in HBO 2Na 4 jaar in HBO 2 Na 5 jaar in HBO 2 Na 6 jaar in HBO 2 Na 6 jaar totaal in HBO 2
2007/200834%20% 8% 4% 66%
2008/2009 34% 20% 8%
2009/2010 33% 20%
2010/2011 32%

Van alle leerlingen uit cohort 2007/2008 komt 66% uiteindelijk (= t/m 2013/2014) in HBO 2 (of verder) terecht: 34% zonder vertraging , 20% met ergens een jaar vertraging en 8% met twee jaar vertraging. 4% van de leerlingen bereikt HBO 2 pas na zes jaar.

2.3. Een diversiteit aan studieloopbanen
Wat zijn de studieloopbanen van de leerlingen uit cohort 2007/2008 tot en met 2013/2014? Dat is niet zomaar te zeggen, want het gaat niet om tientallen of honderden verschillende studieloopbanen, maar om duizenden: vanuit havo 4 volgen de 49.395 leerlingen vanaf 2007/2008 t/m 2013/2014 in totaal 4.156 verschillende studieloopbanen. Door tal van leerlingen worden jaren overgedaan, wordt overgestapt, even een studiepauze buiten het onderwijs genomen, etc. De acht meest voorkomende routes worden weergegeven in Tabel 5. Zij worden doorlopen door ongeveer de helft van de leerlingen uit havo 4 cohort 2007/2008. 14% van alle leerlingen heeft de route in zes jaar doorlopen, zoals die eigenlijk is bedoeld: vanaf havo 4 naar havo 5, daarna met een diploma naar het hbo en binnen vier jaar het hbo verlaten met een bachelor diploma. Deze groep splitst uit naar 12% die na afstuderen werk zoekt (zie Tabel 5, rij 2) en 2% die doorgaat in het wo (zie Tabel 5, rij 7).

Tabel 5: Meest gelopen studieloopbanen van cohort 2007/2008

Om de variëteit van studieloopbanen te laten zien zijn ter illustratie in Tabel 6 uit de duizenden andere routes enkele studieloopbanen gekozen. Zo zijn er zeven leerlingen die van havo 4 naar havo 5 doorstromen, een diploma halen en doorstromen naar het vwo, daar een diploma halen, gelijk doorstromen naar het wo om met een tussenjaar vervolgens een opleiding in het hbo te beginnen.

Tabel 6: Meer studieloopbanen van cohort 2007/2008

2.4 Diversiteit in de studieloopbaan ‘onvertraagd naar HBO 2’
Interessant is dat de waaier aan studieloopbanen al begint bij de ‘onvertraagde’ route van havo 4 naar HBO 2. Zoals in Tabel 2 werd aangegeven bestaat de groep ‘onvertraagden’ uit 34,5% van het cohort 2007/2008. Je zou denken dat ‘onvertraagd’ betekent, dat de leerlingen een studieloopbaan volgen zoals is weergegeven in Schema 1.

Schema 1: Meest belopen ‘normale, onvertraagde’ route van havo 4 naar HBO 2

Inderdaad volgt een grote meerderheid van de ‘onvertraagde’ leerlingen, namelijk 16.956 leerlingen ofwel 34,3% van het oorspronkelijke cohort, deze ‘normale, onvertraagde’ route. Toch zijn er – ook op dit beperkte traject van drie jaar – nog 72 andere leerlingen die maar liefst zeven alternatieve routes volgen om ‘onvertraagd’ in HBO 2 te arriveren (zie Tabel 7). Deze routes gaan niet via het behalen van een diploma in havo 5, maar hebben onder andere te maken met toelating tot kunstopleidingen en met de 21+toets.

Tabel 7: Alternatieve routes voor de overgang van havo 4 naar HBO 2

Bovenstaande geeft aan dat de individualiteit van leerlingen en studenten zich uit in een grote variëteit aan studieloopbanen. Alleen denken in termen van percentages is niet voldoende.

2.5 Samenvatting
Uit deze paragraaf blijkt dat de gegevens voor de doorstroom van het cohort 2007/2008 vrij stabiel zijn voor daaropvolgende jaren, voor zover deze cohorten kunnen worden gevolgd. Ook blijkt dat de doorstroom vanuit havo 4 na zes jaar duizenden verschillende studieloopbanen heeft opgeleverd. Acht daarvan worden gevolgd door ongeveer de helft van de studenten, maar de overige studenten blijken vaak zeer uiteenlopende wegen te bewandelen.

3.De doorstroom van deelcohorten uit havo 4 2007/2008
Hoe ‘doen’ specifieke deelcohorten uit het havo 4 cohort 2007/2008 het? In deze paragraaf worden enkele van deze deelcohorten nader geanalyseerd: de ‘normale onvertraagden’, de ‘zittenblijvers in 4 havo’, de ‘op 5 havo gezakten’ en de leerlingen die ‘na havo 5 een tussenjaar’ nemen. De resultaten van elk van deze routes worden daarna met elkaar vergeleken. We willen hier trouwens niet suggereren dat het deelcohort ‘onvertraagd’ een soort ‘koninklijk cohort’ is. Het maakt wel een goede vergelijking mogelijk met en tussen andere deelcohorten, in dit geval die van zittenblijvers, gezakten en ‘tussenjaarders’.

3.1 De doorstroom van ‘onvertraagden’
We kijken hierbij naar de ‘normale, onvertraagde’ route zoals hierboven weergegeven in Schema 1. Deze leerlingen slagen in één keer voor het havo en stromen vervolgens door naar het hbo waar ze in het tweede verblijfsjaar in dezelfde opleiding blijven als in het eerste verblijfsjaar.

Als we deze route bezien vanaf HBO 1 ontstaat het volgende beeld (Tabel 8a, in percentages van de leerlingen uit het deelcohort van de ‘onvertraagden’)

Tabel 8a: Deelcohort havo 4 2007/2008, ‘normale, onvertraagde’ route (na 1 jaar hbo en verder)

2010/20112011/20122012/20132013/2014
HBO 1 22% 7% 2% 1%
HBO 2 66% 16%3% 1%
HBO 3-4 62%78% 54%
Tussenjaar op hbo 7% 2% 1%
Niet meer in hbo 6% 14% 16%44%

Zoals bleek uit Tabel 2 bereikt 52% van het oorspronkelijke havo 4 cohort 2007/2008 via een ‘normale onvertraagde’ route in 2009/2010 HBO 1. Dit zijn in totaal 25.691 leerlingen. Van deze ‘normaal onvertraagde’ leerlingen zit in het volgende jaar 66% in HBO 2, 22% in HBO 1, 7% neemt een tussenjaar en 6% heeft het hbo verlaten. Vanaf 2013/14 beginnen afgestudeerden het hbo te verlaten en zakt het totaal percentage in HBO 3-4.

3.2 Is zittenblijven in havo 4 gunstig voor succes op het hbo?
De doorstroom van ‘zittenblijvers in havo 4’ naar het hbo, dat is met één jaar vertraging, wordt weergegeven in Schema 2.

Schema 2: ‘Zittenblijvers in havo 4’ van havo 4 naar HBO 2 (één jaar vertraging)

Hoe verlopen de studieloopbanen van deze leerlingen? Weegt een jaartje ouder worden (‘rijpen’) op tegen andere factoren zoals (mogelijkerwijs) intelligentie, motivatie, doorzettingsvermogen, steun ouders, juiste studiekeuze etc.? In Tabel 8b wordt de doorstroom weergegeven.

Tabel 8b: Deelcohort havo 4 2007/2008, ‘zittenblijvers in havo 4’ (na 1 jaar hbo en verder)

2011/20122012/20132013/2014
HBO 1 28,0% 10,4% 3,7%
HBO 2 54,3%17,7% 3,9%
HBO 3-448,6% 67,1%
Tussenjaar op hbo 10,4% 3,7%
Niet meer in hbo 7,3%19,6% 25,3%

Het deelcohort ‘zittenblijvers in havo 4’ dat zich in 2010/11 meldt op HBO 1 bestaat uit 7,3% van het oorpronkelijke havo 4 cohort. Dit zijn 3.587 leerlingen. Van deze leerlingen zit 54,3% in het opleidingsjaar 2011/2012 in HBO 2. Dat is wat lager dan de 66% van de onvertraagde route. 28,0% zit in HBO 1, 10,4% neemt een tussenjaar en 7,3% is niet meer op het hbo aanwezig.

3.3 Doen gezakten op havo 5 het beter op het hbo?
Eenzelfde analyse is mogelijk voor het deelcohort dat zakt op havo 5, en daarna instroomt in HBO 1. In het ‘ideale’ geval gaat het om de route zoals weergegeven in Schema 3:

Schema 3: ‘Gezakten op havo 5’ van havo 4 naar HBO 2 (één jaar vertraging)

De resultaten van de leerlingen die deze route volgen staan in Tabel 8c.

Tabel 8c: Deelcohort havo 4 2007/2008, ‘gezakten op havo 5’

2011/2012 2012/2013 2013/2014
HBO 1 24,7% 8,3%2,8%
HBO 2 61,0% 16,0%2,9%
HBO 3-4 56,0% 71,7%
Tussenjaar op hbo 8,3% 2,8%
Niet meer in hbo 6,0% 16,9% 22,5%

Dit deelcohort, waarvan de leerlingen na gezakt te zijn in havo 5, de normale route doorlopen, is 2781 leerlingen groot (5,6% van het oorspronkelijke cohort havo 4). Van deze 2.781 leerlingen zit 61,0% in 2011/2012 in HBO 2. Ook dit is lager dan de 66% van de onvertraagde route, maar iets beter dan de zittenblijvers. 24,7% zit dan opnieuw in HBO 1 (merendeels in een andere opleiding), 8,3% heeft na één jaar op het hbo een tussenjaar en 6,0% verdwijnt uit het hbo om niet meer terug te komen.

3.4 Is een tussenjaar gunstig voor studiesucces?
Een vierde groep die interessant is voor nadere analyse bestaat uit diegenen die na een in twee jaar doorlopen bovenbouw havo een tussenjaar nemen. Je zou aannemen dat de capaciteiten in deze groep in principe aanwezig zijn en dat een jaar ‘er tussen uit’ een bewustere keuze, en dus succesvoller hbo-traject, oplevert. De ‘ideale’ route wordt gegeven in Schema 4.

Schema 4: Geslaagden voor havo 5 met een ‘tussenjaar na havo 5’, van havo 4 naar HBO 2

De resultaten van dit deelcohort staan in Tabel 8d.

Tabel 8d: Doorstroom van deelcohort havo 4 2007/2008 met ‘tussenjaar na havo 5’ (na 1 jaar hbo en verder)

2011/2012 2012/20132013/2014
HBO 1 17,7% 6,5% 3,4%
HBO 2 63,5% 12,8% 2,5%
HBO 3-4 58,2% 70,4%
Tussenjaar op hbo 6,5% 3,4%
Niet meer in hbo 12,3% 19,2% 23,8%

Het deelcohort dat in 2010/2011 begint met HBO 1 bestaat uit 4,5% van het totale cohort havo 4, dit zijn 2.203 leerlingen. Van deze groep zit een jaar later 63,5% onvertraagd in HBO 2, ietsje, maar niet veel minder dan de onvertraagden die geen tussenjaar namen (maar dus ook niet beter). 17,7% doet HBO 1 nog eens over. 6,5% kiest voor weer een tussenjaar en 12,3% zit niet meer op hbo.

3.5 De verschillende deelcohorten vergeleken
In Tabel 9 is een vergelijking te zien van de studieloopbanen, die hierboven werden beschreven, wat betreft criteria zoals percentage in HBO 2 na één jaar op het hbo, etc.

Tabel 9: Vergelijking meest voorkomende routes naar HBO 2

Wat betreft de overgang van HBO 1 naar HBO 2 in 1 jaar scoren de ‘onvertraagden‘ het hoogst: 66% van hen die in HBO 1 begonnen zit na 1 jaar in HBO 2. Dit is daarmee hoger dan degenen die na havo 5 een tussenjaar hebben genomen (64%), of die zijn gezakt op havo 5 (61%) of die zijn blijven zitten in havo 4 (54%).
Hetzelfde geldt voor de cumulatieve instroom van hbo-studenten in HBO 2 na vier jaar op het hbo. Ook hier scoren de ‘onvertraagden’ het best en de zittenblijvers op havo 4 het minst. Ook de uitval uit het hbo is, gemeten in 2013/14, het laagst bij de ‘onvertraagden’. De verschillen zijn overigens niet zo erg groot. Hoe dan ook: de toename van de leeftijd met één jaar bij zittenblijvers, gezakten en bij hen die een tussenjaar nemen, is op zichzelf dus geen garantie voor een betere doorstroom op het hbo. Het eerder vermelde jaar ‘rijping’ weegt kennelijk niet op tegen andere factoren, zoals hiervoor genoemd.

Bij het behalen van het propedeusediploma is de vergelijking overigens wat moeilijker omdat instellingen hier heel verschillend mee omgaan. Wel is een ander aspect nog eens het vermelden waard, namelijk dat toegang tot HBO 2 niet betekent dat de propedeuse al is gehaald. Een behoorlijk aantal studenten komt in HBO 2 met minder dan de 60 studiepunten van HBO 1 en moeten die studiepunten in het vervolg nog steeds behalen, met de nodige extra druk op andere studieonderdelen uit het 2e studiejaar.
En passant kan een andere conclusie worden getrokken. Uit een combinatie van data is het waarschijnlijk dat twee van de drie leerlingen uit het havo 4 cohort 2007/2008 uiteindelijk op het hbo terechtkomen en dat ook zullen afmaken.

3.6 Samenvatting
Degenen die in havo 4 zijn blijven zitten of op havo 5 zakken voor hun examen of een tussenjaar nemen na havo 5, doen het minder goed dan de ‘onvertraagden’. Een jaar langer scholing en/of een hogere leeftijd levert op zichzelf dus niet een beter studiesucces op.

4.Samenvatting en discussie
In deze laatste paragraaf vatten we eerst de hiervoor gepresenteerde feiten nog eens kort samen. Daarna bespreken we een aantal vragen die deze cijfers oproepen en wat er aan te doen valt.

4.1 De feiten kort samengevat
Zetten we de hierboven gepresenteerde gegevens nog eens op een rijtje, dan blijkt dat niet meer dan twee van de vijf leerlingen onvertraagd de overgang van havo 4 naar HBO 2 realiseren. Tegelijkertijd is het waarschijnlijk dat twee van de drie leerlingen uiteindelijk het hbo bereiken en dat ook afmaken, zij het soms met aanzienlijke vertraging. Je zou kunnen zeggen dat de wettelijke doelstelling van het havo om aansluiting te geven op het hbo in zekere zin wordt vervuld, maar wel vaak met tijdverlies.

Ook blijkt dat zittenblijven in havo 4, zakken op havo 5 en een tussenjaar na havo 5 niet tot een gunstiger doorstroom op het hbo leiden. De ‘onvertraagden’ van havo 4 naar HBO 2 doen het zowel bij de overgang van havo naar hbo als in het vervolg van het hbo het beste. Maar ook voor hen geldt dat niet meer dan 14% het gehele traject van bovenbouw havo t/m hbo in de beoogde zes jaar voltooit.

Tegelijkertijd blijken er duizenden verschillende studieloopbanen te zijn die leerlingen van havo 4 in de daaropvolgende zes jaar volgen. Dit betekent dat bij alle discussie over overgang en doorstroom de individualiteit van leerlingen en studenten een belangrijk aandachtspunt moet zijn.

4.2 Vragen
Deze cijfers roepen een aantal vragen op. We bespreken er vier, die met name in de reacties van lezers van een eerste concept deze notitie naar voren zijn gekomen.

a. Hoe erg is dit nu?
Een aantal respondenten vraagt zich af of het eigenlijk niet best goed is dat uiteindelijk twee derde van de havo-4 instroom uiteindelijk het hbo-diploma haalt? En of leerlingen er op de bovenbouw havo niet wat langer over mogen doen? En hbo-studenten niet eerst eens een jaartje mogen uitproberen wat voor hen het beste is? Als het de wens is van leerlingen en studenten om er langer over te doen, of een andere onderwijsrichting te kiezen, wie houdt ze tegen? Maar is dat hun wens? Gaat dat zittenblijven en uitvallen of overstappen ook niet gepaard met de nodige frustratie? Alleen al het enorme aantal studieloopbanen geeft aan hoezeer leerlingen en studenten experimenteren met toekomstverwachtingen, die echter maar ten dele uitkomen. En al wordt wel gesteld dat enige frustratie ook bij het opleidingsproces van adolescenten hoort, toch blijft de vraag of we wel voldoende oog hebben voor de demotivatie van leerlingen en studenten die onderweg vertraging ondervinden. Weten we wel genoeg hoe zij aankijken tegen zittenblijven, overstappen en uitvallen? Daarbij speelt bovendien mee dat stagnatie in talentontwikkeling niet alleen een individueel probleem kan zijn, maar ook maatschappelijk gezien vragen oproept. In de adviesvraag van juli 2013 vraagt de Minister om ook sociaal-economische kosten mee te nemen in de advisering, maar in het verloop van de discussie zijn deze nog maar beperkt aan bod gekomen.

b. Als het al erg is, is het dan erger dan bij andere overgangen?
Ofwel: hoe staat het met het overgangstraject vmbo 3 -> mbo 2e leerjaar en vwo 5 -> universiteit 2e studiejaar? Of met de instroom van mbo-ers in het hbo, en die van vwo-ers? We weten het op dit moment niet, maar het is zeker het uitzoeken waard. Net zoals het van belang is te kijken of er verschillen zijn tussen jongens en meisjes, tussen havo-scholen onderling, tussen hbo-instellingen onderling en tussen de hbo-opleidingen. Hopelijk geeft een dergelijke verdieping zicht op speciale kenmerken van de vertraging bij de overgang tussen funderend onderwijs en het vervolg.

c. Waar ligt het eigenlijk aan?
Is er (misschien) een speciaal probleem met havo 4-leerlingen? Wordt bij de oud-havo-3 leerlingen in havo-4 toch een groter (te groot?) beroep gedaan op abstractievermogen en zelfstandigheid? Worden vmbo-t-leerlingen misschien toch overvraagd in havo-4? En wat betreft de overstap naar het hbo: zijn de havo-geslaagden gewoon nog wat jong? Is een tussenjaar voor bepaalde hbo- opleidingen wellicht toch een pre? Of speelt ook mee dat er (eindelijk!) geen leerplicht meer is?

Of ligt het meer structureel: is er in pedagogisch-didactisch én inhoudelijk opzicht een te grote sprong tussen havo en hbo? Passen de avo-doelstelling van het havo en de b-gerichtheid van het hbo onvoldoende bij elkaar? Is de havo-bovenbouw te weinig praktisch en beroepsgericht? Of te weinig gericht op studie op hoger niveau? Of zijn de eisen op het hbo sinds de invoering van de Ba-Ma- structuur gestegen? Vragen, vragen. Met name leerlingen/studenten en docenten zullen hier inzicht in kunnen verschaffen.

d. Helpen de bestaande initiatieven onvoldoende?
De stabiliteit in de hier gepresenteerde gegevens lijkt te impliceren dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, al worden er op individuele scholen soms wel successen boekt. Dat althans is de waarneming op scholen die meedoen met Havisten Competent, gestart in 2006. Een vroege evaluatie van dit overgangsbegeleidingsproject gaf nog weinig resultaten te zien (13), maar inmiddels hebben individuele scholen wel zicht gekregen op hun eigen (en verbeterde) doorstroomcijfers. Anderzijds is er bij de overgang havo hbo misschien juist sprake van een zogeheten ‘wicked’ problem, een hardnekkig probleem, waarvoor oplossingen buiten de bestaande kaders moeten worden gezocht.

4.3 Is er wat aan te doen?
Op diverse niveaus zijn er mogelijkheden om iets te doen ter verbetering van de overgang van havo naar hbo, te beginnen met intensivering van activiteiten die nu al worden uitgevoerd tot aan herziening van het onderwijsstelsel als geheel toe.

a. Intensiveren van overgangsbegeleiding
Dat is: doorgaan met verbetering van studieaanpak, loopbaanoriëntatie, matching, havo- profielwerkstukken die door het hbo worden begeleid, stages van havisten op hbo-instellingen, een hbo-module al op het havo aanbieden, havo- en hbo-docenten in conclaaf etc. Dat betekent: niet alleen gehoor geven aan de druk binnen havo- en hbo-instellingen om alleen naar eigen instellingsresultaten te kijken, maar ook inhoud geven aan een betere overgang van havo naar hbo.
Probleem is dat als initiatieven kleinschalig blijven, het totaalbeeld niet zal wijzigen, ook al is er een nuttig effect voor individuele leerlingen en studenten.

b. Samenwerking met gezamenlijke inspanningsverplichting
Dat is: in vervolg op a. nemen havo-scholen ook uitdrukkelijk een verantwoordelijkheid op zich voor het na-traject op de hbo-instellingen en hbo-instellingen voor het voor-traject op de havo-scholen. Instellingen formuleren op deze punten doelstellingen van het type: (havo) “wij streven er naar dat van onze havo-4-instroom … % onvertraagd HBO-2 bereikt” of (hbo) “wij streven ernaar dat van de onvertraagde havo-instroom tenminste …. % onvertraagd het HBO-2 bereikt”. Dit expliciteren en vervolgens er ook alles aan doen om het te realiseren kan voor ieder (leerling/student/docent) een stimulans betekenen. Gezamenlijke inspanningsverplichtingen zullen natuurlijk gebaseerd moeten zijn op de eigen analyse van de situatie en op informatie uitwisseling tussen havo’s en hbo- instellingen. Het meest voor de hand liggend is ze niet alleen in algemene zin vast te leggen, maar ook in afzonderlijke afspraken tussen havo-school, hbo-instelling en de betreffende leerlingen/studenten, die hier interesse in hebben.

c. Experimenten met een andere inrichting van havo-bovenbouw en hbo
Dat is: op regionaal niveau experimenteren met een gecombineerd traject van havo-bovenbouw en propedeuse hbo. Het geeft een vervolg aan onze constatering dat het probleem van de overgang van havo naar hbo zo nadrukkelijk tegelijkertijd speelt in de havo-bovenbouw en op het hbo. Hindernissen op de havo bovenbouw en HBO 1 kunnen dan in samenhang worden aangepakt. Soortgelijke benaderingen worden momenteel al gehanteerd voor de overgang vmbo-mbo, en mbo- hbo, maar voor de overgang havo-hbo zou het verder moeten gaan, met name omdat de afstemming van avo-doelstelling en b-gerichtheid hier ingewikkelder is. Zo’n havo-bovenbouw+HBO1-traject zou de vorm kunnen krijgen van een nieuw schooltype: het 3-jarig voorbereidend hoger beroepsonderwijs (vhbo), volgend op een 3 jarige havo-onderbouw en opleidend voor een 3-jarig hbo (waarbij het begrip vhbo overigens wel een andere inhoud krijgt dan in de jaren ‘90). Of als een nieuwe 3-jarige hbo-onderbouw, waarbij eveneens (de meeste) hbo-bovenbouw-opleidingen zouden worden teruggebracht van vier naar drie jaar. Of een 3-jarige havo-bovenbouw met een vergelijkbare verkorting van de hbo-opleidingen. Soortgelijke voorstellen zijn in de jaren ’90 al eens besproken in de Stuurgroep 2e fase, maar zouden opnieuw kunnen worden opgepakt.

Experimenten van dit type sluiten ook aan bij de constatering van de Commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijsstelsel, die er in 2010 al op wees dat bij internationale vergelijking van de structuur van het hoger onderwijs de vierjarige hbo-bachelor in combinatie met de vijfjarige havo een uitzonderlijke constructie is (14). Veel landen kiezen immers voor een opbouw waarbij een zesjarige middelbare school wordt gevolgd door driejarige hbo-opleidingen (15). Op regionaal niveau zouden havo-scholen en hbo-instellingen hiervoor met experimenten het initiatief kunnen nemen. Eén bottleneck is dan de huidige structuur van de eindexamens havo, maar deelcertificaten zouden hier een oplossing kunnen bieden. Ook moet natuurlijk goed gekeken worden naar nieuwe overgangen in het stelsel die dit met zich meebrengt. Dat een dergelijke structuur niet alle problemen oplost is overigens voor Vlaanderen onderzocht door Van Daal e.a. (16).

d. Herstructurering Nederlands onderwijsstelsel als geheel
Dat is: het Nederlandse onderwijsstelsel als geheel heroverwegen. Het is opvallend dat in de reacties deze suggestie herhaalde malen voorkomt. Bij deze heroverweging zou het ook moeten gaan over de té vroege selectie na de basisschool en ontschotting van vmbo, havo en vwo. Zie voor een recente discussie hierover een artikel van Guido van Eijck – 2015 (17). Meer specifiek gericht op de overgang havo-hbo zou ook de positie van de associate degree programmes en die van het mbo moeten worden meegenomen. Na 50 jaar Mammoet-wetgeving zou dan niet alleen de vraag spelen of de anomalie in de overgang van havo naar hbo moet worden herbezien, maar ook andere elementen van ons onderwijsstelsel.

4.4 Hoe nu verder?
Aan alle hierboven genoemde punten kan worden gewerkt en het is ook niet zo moeilijk in te zien wie zich voor elk van de punten ‘probleemeigenaar’ zou kunnen noemen. Tot slot van deze notitie willen wij hier, onder het motto “Vernieuwen binnen oude structuren werkt niet” (Piet Hein Donner, 2015 – (18)), met name pleiten voor de derde optie, dat is: regionale experimenten tussen havo-scholen en hbo-instellingen op basis van reeds aanwezige initiatieven en eigen probleem analyse. Het zou voortbouwen op het advies van de Onderwijsraad “Een onderwijsstelsel met veerkracht”, waarin wordt gepleit voor actieve en gerichte stimulering van nieuwe sector- en kolom-overstijgende initiatieven (19). Natuurlijk begrijpen we dat dit voor sommigen te ver gaat en dat alleen verbeterde overgangsbegeleiding of een gezamenlijke inspanningsverplichting al veel goeds kunnen betekenen. En we begrijpen ook dat het voor sommigen niet ver genoeg gaat en dat het Nederlands onderwijsstelsel als geheel inderdaad aan revisie toe is. Maar voor de korte en middellange termijn kunnen regionale samenwerkingsverbanden tussen havo een hbo ons inziens niet alleen een versterking van het onderwijs, maar ook van de regio’s als zodanig opleveren. Dit soort regionale samenwerking is op andere terreinen al gerealiseerd in de vorm van Centers of Expertise (CoE’s) en Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV’s). Daar is natuurlijk creativiteit en ondernemingszin voor nodig. Maar was dat niet waar het recente WRR-rapport over de lerende economie op doelde (20)?

Bronnen / aanvullingen:

1 Obe de Vries is oud-inspecteur ho en vo; Joost Schaacke en Erik Fleur zijn als onderzoeker werkzaam bij DUO/Informatieproducten (Dienst Uitvoering Onderwijs).
2 Fleur, E. (juni 2013). Stromen door het onderwijs. DUO/IP.
3 Onderwijsraad (3 maart 2014). Advies Overgangen in het onderwijs.
4 Onderwijsinspectie (2015). De staat van het onderwijs, Onderwijsverslag 2013/2014. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs. Het percentage zittenblijvers in de havo bovenbouw lijkt recentelijk iets terug te lopen (blz. 103), evenals de uitval in het 1e jaar hbo, maar het aantal switchers in het 1e jaar hbo neemt toe (blz. 15).
5 Minister van OCW (12 juli 2013). Adviesvraag “overgangen in het onderwijs”.
6 Minister en Staatssecretaris van OCW (15 juli 2014). Beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad ‘Overgangen in het onderwijs’.
7 Terlouw, C. (2012). Het leerpotentieel van grensoverschrijdingen in aansluiting en doorstroming. Enschede:
Saxion, Kenniscentrum Onderwijsinnovatie.
8 Asselt, R. van (2014). Analyse en mogelijke verklaringen van de daling van de studiesuccessen van mbo’ers en havo’ers na 5 jaar voltijd hbo-studie. https://www.nvvw.nl/17143, gedownload januari 2015.
9 De data in Grafiek en Tabellen in deze en volgende paragrafen zijn afkomstig van DUO (2014).
10 Eerste Kamer der Staten-Generaal, zitting 1962- 1963, 5350, Nr. 26, Voorlopig verslag van de commissie van rapporteurs voor het Ontwerp van Wet tot regeling van het Voortgezet Onderwijs.
11 Wet op het Voortgezet Onderwijs, hoofdstuk 1, paragraaf 1, artikel 8.
12 Onderwijsinspectie (2015) De staat van het onderwijs, Onderwijsverslag 2013/2014. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs, blz. 193.
13 Derriks, M. & Vergeer, M.M. (2010). Van havo naar hbo. Ervaringen met het programma Havisten
Competent. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.
14 Commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijsstelsel (2010): Differentiëren in drievoud. Den Haag, Min. OCW.
15 Eurydice Highlights (2014).The structure of the European education systems 2012/13: Schematic Diagrams.
Brussel: European Commission.
16 Van Daal, T., Coertjens, L., Delvaux, E., Donche, V. & Van Petegem, P. (2013). Klaar voor hoger onderwijs of arbeidsmarkt? Longitudinaal onderzoek bij laatstejaarsleerlingen secundair onderwijs. Antwerpen: Garant.
17 Eijck, G. van (2015). Na veertig jaar doemt de middelschool weer op. De Volkskrant, 30 april 2015.
18 Donner, P.H. (2015) in: R. Meijer, Interview Piet Hein Donner: ‘Je kan niet hetzelfde doen met minder geld’. De Volkskrant, 10 april 2015.
19 Onderwijsraad (2014). Advies Een onderwijsstelsel met veerkracht.
20 WRR (2013). Naar een lerende economie. Den Haag: WRR.